abonneren
article
Columns

Analoge didactiek en praktijkonderzoek - Jan Lepeltak

Ooit hoorde ik op een conferentie het verhaal van een Amerikaanse hoogleraar die al 25 jaar het zelfde college gaf. De resultaten van zijn studenten werden echter steeds minder. Toen een collega hem daarop attendeerde, gaf hij als reactie: het lesgeven gaat prima maar de studenten verdommen het om te leren. Vaak stelt men dat het probleem met ict in het onderwijs is dat leerkrachten er didactisch niet mee overweg kunnen.

Maar wat is didactiek?  In Wikipedia lees je: “Didactiek is de wetenschapsdiscipline die zich bezig houdt met de vraag hoe kennis, vaardigheden en leerhoudingen of attitudes door een leerkracht kunnen worden geleerd aan leerlingen/studenten.” Volgens sommige onderwijskundigen is didactiek echter helemaal geen wetenschap maar een ‘skill’; een ambacht.

In de oude opvatting van didactiek speelt instructie een centrale rol. Onderwijs heeft voor de leerlingen dan een vrij gesloten karakter. De docent heeft de kennis en moet die overbrengen aan zijn leerlingen. Hij heeft de gehele regie. De didactiek helpt bij de regieaanwijzingen.
Er bestaan ook meer eigentijdse opvattingen over didactiek. Volgens Robert-Jan Simons, professor in de digitale didactiek, gaat het om het organiseren en faciliteren van het leren. Simons laat dus duidelijk ruimte open voor de leerling.

Volkstammen van leraren [waaronder uw blogger] werden in de jaren ’70 van de vorige eeuw  nog opgeleid met het idee dat leren conditioneren is, met  als hulpmiddelen belonen, straffen en alles in hapklare blokken indelen. Didactiek was de trukendoos waarmee kennisoverdracht werd bereikt. Door het meer open karakter van lesgeven [en daar hebben wij als instructiegetrainde docenten  begrijpelijker wijs moeite mee] werkt de trukendoos echter niet meer. En ik betwijfel eerlijk gezegd of ze ooit wel heeft gewerkt.  Maar wat is eigenlijk digitale didactiek?

Als er digitale didactiek bestaat moet er ook analoge didactiek bestaan. Dat laatste betwijfel ik. Je zou kunnen zeggen: is er geen analoge didactiek dan bestaat er ook geen digitale didactiek [een bewijs uit het ongerijmde].

Maar wat doen we dan nu? Het antwoord is praktijkonderzoek. Je leert als leerkracht je eigen praktijk systematisch te onderzoeken en te verbeteren, een andere term is ontwerponderzoek [vergelijkbaar met het vorige al ligt het accent daar wat meer op de ontwerpkant van het eigen onderwijs] of actieonderzoek [vergelijkbaar met de vorige onderzoeksvormen, maar wat meer jaren ’60].

In deze didactische onderzoeksvormen bestuderen docenten hun eigen interventies. Zet je dus ict in dan stel je daarbij de volgende vragen: [1] Welke probleem wil ik aanpakken in mijn onderwijs? [2] Hoe stel ik vast in welke mate dat gelukt is? [3] Welke lessen kan ik eruit trekken? [4] Hoe verwerk ik dat weer in mijn onderwijs? Het praktijkonderzoek heeft dus een sterk cyclisch karakter.

Voor leraren in opleiding maakt deze benadering inmiddels deel uit van hun studie.
Natuurlijk blijft de vakdidactiek bestaan. Er zijn wel degelijk specifieke aanwijzingen om stukjes natuurkunde, of Nederlands over te brengen, maar dan moet bij de leerlingen eerst wel de interesse en verwondering gewekt zijn. Met belonen en straffen komt niemand meer weg. Gelukkig maar.

Jan Lepeltak
j.lepeltak@lepeltakenpartners.nl

blog comments powered by Disqus