abonneren
article

‘Op maat bedienen? Een leraar is geen kelner!’

René Kneyber geeft wiskunde en ICT aan het Oosterlicht College in Nieuwegein, hij is blogger en schreef boeken over orde en gezag in het onderwijs. Kneyber werd benoemd tot lid van de Onderwijsraad voor de periode 2015-2018. ‘Er zaten nooit leraren in de Onderwijsraad. Dat vond ik niet kunnen en daarom heb ik een open sollicitatiebrief geschreven.’

Wanneer ontdekte jij dat je het onderwijs in wilde?
“In havo 5 speelde ik voor het eerst met dat idee. Ik gaf na schooltijd huiswerkbegeleiding en had groepjes leerlingen die ik iets over scheikunde of natuurkunde uitlegde. Het was leuk om te doen en vooral om te merken dat ze er echt iets aan hadden. In Atheneum 5 en 6 ging ik daarmee door. Toen het keuzemoment daar was, had ik verschillende opties. Ik was finalist in de scheikunde Olympiade, dus het lag voor de hand om daar iets mee te gaan doen. Leraar scheikunde worden was een mogelijkheid. Maar ik won ook de Kunstbende in de categorie Taal en koos voor hbo Journalistiek. Dat hield ik een halfjaar vol. Het jaar erop begon ik toch aan een studie Scheikunde, maar ook dat ging mis. Ik was niet goed voorbereid op het zelfstandige en ergerde me aan de manier waarop het onderwijs daar gegeven werd. Aangemoedigd door mijn vriendin verruilde ik de studie voor een baan en die vond ik bij een internet 3D-bedrijf. Daar had ik het naar mijn zin, maar ik kreeg RSI en ging een jaar de ziektewet in. Eenmaal hersteld was werken met computers geen optie meer en kwam ik weer in contact met het idee dat ik graag voor de klas wilde staan.”


Dat klinkt alsof je toch een soort voorbestemming voelde?
“Haha, ja in zekere zin wel. Het is natuurlijk op allerlei manieren aantrekkelijk om voor het bedrijfsleven te kiezen. Je kunt mooie promoties maken en goed geld verdienen. De rem die daarop werd gezet, was noodzakelijk om me te heroriënteren, te bedenken waarom ik hier op aarde ben. De conclusie was: het onderwijs. Ik werd aangenomen door een huiswerkinstituut en ging tegelijkertijd ook aan de slag op het vmbo. Ik had geen lesbevoegdheid, maar ze konden niemand vinden die geschikt was, dus mocht ik het doen. De allereerste les gaf ik aan een brugklas. Die waren eigenlijk net zo nieuw als ik en daar kon ik nog een beetje bluffen. Maar de vierde klas was zwaar. Als ik niet een figuurlijk pistool tegen mijn hoofd had gevoeld ‘je moet lesgeven, want anders heb je geen geld’, was ik ermee gestopt. De eerste jaren waren mentaal zo zwaar dat ik geen ruimte had om de docentenopleiding te doen. Toen ik daar wel aan toe was, vroeg de directeur mij om de opleiding tot leraar wiskunde te doen. De behoefte daaraan was groter dan aan docenten scheikunde. Ik vond het goed. Uiteindelijk gaat het mij niet om het vak, maar om het werken met kinderen.”


Wat zou jij willen veranderen aan het onderwijssysteem in Nederland?
“Ons huidige onderwijssysteem voedt de scheiding tussen arm en rijk, tussen bevoorrecht en niet bevoorrecht. We kunnen spreken van standenonderwijs. Als jij uit een bevoorrecht gezin komt, je ouders zijn hoogopgeleid, hebben een goede baan en geld voor huiswerkbegeleiding, dan is jouw kans om succesvol te zijn in dit onderwijssysteem groter. Als je uit een ander milieu komt, heb je minder kansen. En dat filtert zich al op heel jonge leeftijd uit. Je ziet dat steeds meer scholen de vmbo-afdelingen afstoten. Zet kinderen in aparte groepen, in verschillende stromen, in aparte gebouwen en de afstand wordt groter. De overstap van vmbo naar havo is moeilijk, de aansluiting slecht. Je zit dus al heel snel ‘vast’. Wat we zouden moeten doen, is kinderen pas op een veel latere leeftijd uit elkaar halen.”


Wat is het grootste obstakel hierbij?
“Het grootste obstakel is het middenveld en dat geldt voor alle problemen in het onderwijs. Alle praters, lobbyclubs, vakbonden en andere partijen die invloed uitoefenen op het beleid, maar die zelf niet op school komen. Als je met alle partijen rekening houdt, moet je zo veel compromissen sluiten dat van een goed plan uiteindelijk niks overblijft. De afgelopen tijd is de beroepsgroep zich meer gaan roeren. Die emanciperende beweging stemt mij positief. Hieruit klinkt ‘wij zijn de docenten, wij weten het beste hoe het moet en het wordt tijd dat daarnaar geluisterd wordt’. Ik vind dat het niet kan dat er op het ministerie en in het middenveld zo weinig leraren aanwezig zijn. Zo ook in de onderwijsraad. Daarom heb ik een open sollicitatie gestuurd. Inmiddels zitten er twee leraren in de raad, nog beter dan ik gehoopt had!”


Hoe zie jij de lerende leraar?
“Leraren moeten continu verantwoording afleggen en resultaten behalen. Daardoor is er minder aandacht voor leren en reflectie. De leraar is verworden tot de uitvoerder van andermans ideeën. Terwijl het juist ontzettend belangrijk is dat een leraar zich telkens en bij elke  leerling opnieuw afvraagt ‘wat is verstandig’ en ‘wat wil ik bereiken’. De resultaten van de schoolexamens mogen niet meer dan een halve punt afwijken van de resultaten bij het centraal examen. Is dat een doel? Daar gaat goed onderwijs toch helemaal niet over? Dan ben je meer bezig met wat er van je wordt verlangd dan met wat je werkelijk wilt bereiken met je onderwijs. Wat ik ook kwalijk vind, is dat beeld van de onderwijzer als kelner. Op maat bedienen is het credo. Een verschrikkelijk woord: bedienen. Dat suggereert dat  de wensen van degene die je bedient centraal staan. Onze maatschappij is enorm gericht op dingen willen. Want hoe meer mensen willen, hoe beter het gaat met de economie. Je kijkt om je heen en denkt ‘ik wil ook een iMac’ en gaat naar de winkel. In de winkel zeggen ze niet ‘Ik begrijp dat u een iMac wilt, maar is dat ook wenselijk en verstandig?’. Er zijn maar weinig plekken in de maatschappij waar deze vraag nog serieus gesteld wordt. Als die vraag ergens centraal zou moeten staan is het wel in het onderwijs.”


Je kijkt kritisch naar je eigen werkveld, maar geeft je werk  je ook voldoening?
“Ja. Voor de kinderen op deze school maak ik echt een verschil. Ze hebben je nodig en als je er niet bent gaat het slechter. Inmiddels beheers ik het kunstje van orde houden. Ik schreef er meerdere boeken over. Ik weet wat ik moet doen. En zelfs als ik niet weet wat ik moet doen, weet ik wat ik moet doen. Voor iemand zoals ik zou het werk dan saai kunnen worden. Toch zal ik dit niet snel loslaten, omdat ik voor de kinderen echt iets kan betekenen. Vooral in het vmbo basis zijn er veel leerlingen met grote problemen. Ze hebben leer-, gedrags- of concentratieproblemen en soms ouders die niet begrijpen hoe de maatschappij werkt. Daar draait het dus ook echt om de basis en die wil ik ze geven. Vanaf kaderniveau zit er al meer in. Dat eruit zien te halen is elke dag een interessante uitdaging.”

blog comments powered by Disqus