abonneren
article
Carla Desain
Carla Desain

‘Ik pleit vurig voor het recht op laatbloeien voor iedereen’

De Amsterdamse wethouder Simone Kukenheim beheert sinds twee jaar de portefeuilles Onderwijs, Jeugd, Diversiteit en Stadsdeel Oost. Vives sprak met haar over de ontwikkelingen, kansen en pijnpunten in het Amsterdamse onderwijs.

Kunt u kenschetsen wat er specifiek is aan onderwijs in Amsterdam, anders dan in de andere grote steden?

“Uiteraard zijn er veel overeenkomsten; Amsterdam heeft net als Rotterdam, Den Haag en Utrecht te maken met grootstedelijke problematiek – en grootstedelijke kansen – en met veel verschillende scholen. De schaal is bij ons wel groter, we hebben 217 basisscholen en 79 middelbare scholen, verdeeld over nog meer locaties.

Verder groeit Amsterdam hard. De economie trekt aan en er wordt volop gebouwd in de stad. Uit de leerlingenprognose 2014-2015 blijkt dat het leerlingenaantal de komende jaren blijft toenemen.

Zo wordt in het basisonderwijs tot 2019-2020 een stijging verwacht van 6.4%; en 8,6% tot 2024-2025. In het voortgezet onderwijs is de verwachte groei van het aantal leerlingen nog sterker: 6,6% stijging tot 2019-2020 en zelfs 11,2% tot 2024-2025. Dat maakt dat we snel nieuwe scholen nodig hebben.

Verder hebben we te maken met de belangen van in totaal 62 schoolbesturen, dat is meer dan in de andere grote steden. Als ik een gesprek wil met alle schoolbesturen van de stad, moeten we een zaaltje huren.

Een ander verschil zit in de huisvesting: Amsterdam heeft nogal wat schoolgebouwen van meer dan 100 jaar oud met een monumentstatus, die aan renovatie toe zijn. Vanwege de hoge eisen die gesteld worden aan verbouwen van monumenten, ben je daaraan enorme bedragen kwijt.

Amsterdam heeft ambitie en een lange traditie van investeren in het onderwijs, er gaat echt veel geld in om.

En meer nog dan in de andere grote steden heb je hier de aantrekkelijke combinatie van onderwijsgerelateerde opleidingen, onderzoeksinstellingen en diverse onderwijsvormen.

Ik ben er trots op dat het onderwijsdebat in Amsterdam hoog op de agenda staat. Gemeenteverkiezingen worden hier echt gevoerd over onderwijsontwikkelingen. Was het maar zo dat ook landelijke verkiezingen zouden draaien om onderwijsonderwerpen…”

Zo aan het eind van het schooljaar houdt het Amsterdamse plaatsingsbeleid ouders enorm bezig. Welke keuzes maakt u daarin?

“Amsterdam heeft een grote diversiteit aan scholen en dus veel keuzemogelijkheid, dat is echt een rijkdom. Maar er is ook schaarste: Veel schoolkinderen willen naar dezelfde scholen. Daar zit spanning. Ik ben dan ook steeds in debat met ouders over hoe een zo eerlijk en zo transparant mogelijk plaatsingsbeleid eruit ziet. Ik zet daarbij in op twee dingen:

  • Ik vind het belangrijk om zo min mogelijk drempels op te werpen voor de keuzevrijheid van ouders. We hebben in Amsterdam dan ook geen postcodebeleid, waarbij je als je in de ene wijk woont, je kind niet mag inschrijven op een school in een andere wijk.
  • Schaarste los je niet op met plaatsingsbeleid, welk plaatsingsbeleid je ook kiest. Natuurlijk probeer je die schaarste zo eerlijk mogelijk te verdelen, maar in je moet vooral ook uitbreiden.”

 

Hoe pakt u die uitbreiding aan?

“Je moet zorgen dat op onderwijsgebied vraag en aanbod bij elkaar passen, dus goed kijken of het huidige onderwijs aansluit bij wat ouders en kinderen willen. Dat gesprek moet je blijven voeren, de vraag verschuift steeds in de loop der tijd. Een aantal jaren geleden trokken opvallend veel vwo-leerlingen naar scholen in Zuid. De vraag was: ‘Hoe komt het dat sommige specifieke scholen zo populair zijn, aan welke onderwijsbehoefte voldoen die scholen? En hoe kunnen we daar in andere wijken op inspelen?’ Zo is in Noord toen Hyperion opgezet, een school met een nieuw en goed doordacht onderwijsconcept en een nieuwe manier van werken. Die school bleek een schot in de roos.

Binnen die context van de groei van de stad en afstemmen van nieuw aanbod op wat ouders en kinderen graag willen, zijn we vorig jaar de scholenchallenge Onze Nieuwe School begonnen.”

Kunt u wat meer vertellen over het idee achter die scholenchallenge?

“We hebben op korte termijn nieuwe scholen nodig in Amsterdam. Tot nu toe waren het meestal de bestaande scholen en schoolbesturen die daar plannen over maakten. Dit keer kozen we er bewust voor om iedereen de kans te geven om mee te denken, juist ook ouders en leraren. We hoopten dat daarmee innovatie in het onderwijs goed op gang zou komen. Dus schreven we een soort wedstrijd uit voor schoolconcepten, de beste vier inzendingen worden echte scholen. In eerste instantie kwam het verwijt dat het wel een soort Idols-verkiezing leek. Maar de kwaliteit van de inzendingen was heel hoog en naast het stemmen via internet hadden we ook een vakjury en presentaties.

Dat er zóveel plannen binnenkwamen van zo’n hoge kwaliteit, heeft ons wel verrast. Het waren niet wat losse ideetjes; groepen leraren en ouders hebben met elkaar in totaal 124 goed doordachte onderwijsconcepten ontworpen. Er is een fundamentele onderwijsdiscussie gevoerd over: ‘Wat zijn de vragen die de kinderen van deze stad stellen aan onderwijs? Wat voor antwoorden zou het onderwijs daarop moeten geven?’ Daardoor levert deze challenge veel meer op dan alleen de vier uitgekozen nieuwe scholen. Er kwam een enorme hoeveelheid energie los en ook andere schoolconcepten weten hun weg naar het Amsterdamse onderwijs te vinden. Zo gaat het schoolconcept Spring High – een van de ingediende, maar niet uitgekozen plannen – komend schooljaar van start als school. Schoolbesturen hadden eerst wat bedenkingen bij de scholenchallenge, maar zien nu de meerwaarde van deze onderwijsvernieuwing; ze denken mee en werken mee aan het realiseren van de nieuwe scholen.”

Wat valt u inhoudelijk op aan de initiatieven voor die scholen-challenge?

“Er zijn een paar duidelijke thema’s waar veel initiatieven zich op focussen. Die thema’s zeggen iets over wat er op dit moment wringt in het onderwijs en hoe je dat zou kunnen verbeteren.

  • De vroegkeuze in ons onderwijs is zo’n thema. Dat is echt een probleem. Kinderen moeten al vroeg kiezen voor een specifiek onderwijsniveau op de middelbare school. Een niveau waar ze later niet meer zo gemakkelijk uitkomen, want we hebben stapelen van opleidingen moeilijker gemaakt. Die keuze kunnen kinderen op zo’n jonge leeftijd eigenlijk nog niet maken, vinden ze ook in de landen om ons heen. Bovendien verschillen kinderen in zowel ontwikkelingstempo als de manier waarop ze van thuis uit begeleid worden – en dat zegt niet altijd iets over hun talenten. Veel van de initiatieven benadrukken dat we die keuze moeten uitstellen en kinderen tussen 10 en 14 jaar de kans moeten geven zich breed te ontwikkelen. Daarna kunnen ze beter een passende keuze maken.
  • Veel scholeninitiatieven besteden aandacht aan een bredere persoonlijke ontwikkeling. Niet alleen taal en rekenen moeten aan de orde komen, maar ook al die andere dingen die je nodig hebt om een veerkrachtig mens te worden.
  • Een ander veelvoorkomend thema is de herijking van de positie van de leraar. Denk bijvoorbeeld aan groepen leraren als onderwijs ontwerpende teams die de ruimte krijgen om samen te werken en samen na te denken over hoe het curriculum eruit moet zien. Daarbij wordt de kwaliteit geborgd door intervisie.
  • Een laatste thema dat in veel initiatieven naar voren komt is de bewustwording: ‘Wat betekent het om in Amsterdam naar school te gaan? Wat brengt dat voor extra’s met zich mee en hoe kunnen we daar van profiteren? En hoe kunnen we onze kinderen goed voorbereiden op het leven in de grote stad, zodat ze stevig in hun schoenen staan?”

Hoe zit het eigenlijk met de wettelijke kaders bij die scholenchallenge?

“Laat ik beginnen met benadrukken dat we niet zomaar op eigen houtje aan de gang zijn gegaan. Het ministerie van OCW is nauw betrokken bij dit project; de samenwerking is prima. Er kan veel binnen het huidige stelsel, er is stichtingsruimte in deze stad. In artikel 23 van de Grondwet staat dat iedereen een nieuwe school mag opzetten. Dat heeft ertoe geleid dat in Nederland, in Amsterdam, een sterke publieke onderwijsgemeenschap is. Omdat ouders van allerlei gezindten in dat publieke bestel een school mogen stichten, hoefden er weinig particuliere scholen te komen.

Het nadeel van artikel 23 is dat de formulering van de regels en voorwaarden waaronder scholen gesticht mogen worden, gebaseerd is op de samenleving van de jaren ’20 van de vorige eeuw. Ouders zagen toen vooral religie als een grondslag op basis waarvan ze graag een school zouden willen stichten, dat is dan ook opgenomen in artikel 23. Tegenwoordig zie je, zeker in Amsterdam, dat ouders en leraren nieuwe scholen willen op basis van bepaalde onderwijsconcepten, niet zozeer [of niet alleen] op basis van religieuze gronden. Maar de regels zijn nog wel zo; die zouden op dit punt dus moeten worden aangepast aan deze tijd. Dat zal ook wel gebeuren. Beleid moet gemaakt worden waar de mensen leven, vind ik. Daar kun je formuleren: ‘Dit is hoe onze praktijk eruit ziet, dit is wat wij nodig hebben’. En dan kan het ministerie zeggen: ‘Oké, daar gaan we jullie de ruimte voor geven en dat vervolgens in wetten omzetten’. Daarom is het fijn dat OCW zo betrokken is bij onze scholenchallenge.”

Waarvoor gaat u door het vuur?

“Ik ga door het vuur voor echt passend onderwijs voor alle kinderen. Ik vind dat we nog te vaak alle kinderen door een en dezelfde mal, door één weg in het onderwijs willen sturen. En als dat niet lukt, zeggen we dat het aan het kind ligt. Dat moeten we omdraaien. Dat bedoel ik heel breed, voor alle kinderen; of ze nu dyslexie hebben of meerbegaafd zijn. En ik denk nadrukkelijk ook aan de jongens. In deze stad gaan veel jongens naar lagere niveaus, blijven vaker zitten en zakken vaker dan meisjes. Is er dan iets mis met de Amsterdamse jongens? Of moeten we constateren dat ons onderwijs niet helemaal past bij hoe jongens zich ontwikkelen? Ik wil dat kinderen meer maatwerk krijgen; dat het onderwijs kijkt: ‘Wat hebben deze kinderen in deze tijd in deze stad nodig?’

Verder wil ik vurig pleiten voor het recht op laatbloeien voor iedereen. Niet alle kinderen kunnen de keuze voor een schoolsoort of -niveau goed maken op hun 12e; terwijl die keuze niet alleen iemands schoolloopbaan bepaalt, maar het hele verdere leven. Wie thuis door z’n ouders wordt ondersteund, ook financieel, kan zich laatbloeien permitteren. Maar wie thuis de eerste van de familie is die wil doorleren, wie niet financieel ondersteund wordt, wie te maken heeft met andere problematiek thuis [ouders met schulden of met psychische problemen], kan zich laatbloeien niet permitteren; en moet meteen het systeem door. Terwijl iemand soms eigenlijk meer tijd nodig heeft om te ontdekken wat z’n talenten zijn en waar hij wil uitkomen.”

 

We spraken vooral over basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Hoe ziet u de rol van het mbo in Amsterdam?

“In Amsterdam trekt de economie flink aan en de arbeidsmarkt verandert razendsnel. Ons mbo, met 30.000 leerlingen, is enorm belangrijk voor de Amsterdamse arbeidsmarkt. Het onderwijs moet leerlingen zo opleiden dat ze op latere leeftijd flexibel genoeg zijn om meerdere taken te kunnen aanpakken of zich gemakkelijk kunnen omscholen.

Juist het mbo kan een goede rol spelen voor jongeren die op vroege leeftijd geparkeerd zijn in een lage opleiding, maar als laatbloeier alsnog een vlucht kunnen maken en hun talent willen volgen. Wij investeren daarom flink in het mbo met de Amsterdamse mbo-agenda. We proberen met mbo-leraren te bekijken: ‘Wat betekent dat nou, een brede persoonlijke ontwikkeling en brede skills waarmee leerlingen straks op de arbeidsmarkt [die we nu nog niet kennen] aan de slag kunnen?’ En ‘Hoe begeleid je leerlingen die later terug instromen in het onderwijs?’”

Hoe anticipeert u op het verwachte lerarentekort?

“Amsterdam groeit hard, we hebben dus veel meer leraren nodig. Die moeten we deels aantrekken van buiten de stad. Dat speelt niet overigens alleen voor het onderwijs, ook voor bijvoorbeeld de zorg. Een van de problemen daarbij is dat de Amsterdamse woningmarkt behoorlijk vast zit, er zijn weinig betaalbare huizen beschikbaar. Daarom wordt er nu en in de nabije toekomst heel veel bijgebouwd, vooral in het middensegment, zodat beter verdienende mensen kunnen doorstromen en ook starters een woning kunnen vinden.

De uitdaging is om na te denken of we nog wat extra’s kunnen doen om startende leraren gemakkelijker de stad in te kunnen halen. Ik denk bijvoorbeeld aan extra begeleiding en opleiding. Leraren die van buiten Amsterdam komen, vinden lesgeven in een Amsterdamse klas vaak nogal spannend en ervaren het als zwaar; de werkdruk is hoog. Extra begeleiding ter plekke in de klas zou kunnen helpen.

Verder zou ik de interessante kansen willen benadrukken en uitbuiten van Amsterdam als ‘onderwijswerkplaats’. Een beetje naar analogie van de academische ziekenhuizen, waar het opleiden van nieuwe artsen, patiëntenzorg en wetenschappelijk onderzoek hand in hand gaan.

In deze stad leiden we leraren op, geven les en doen onderzoek. Het zou geweldig zijn als de wetenschappelijke onderzoeksvragen direct voortkomen uit de kwesties die in de klassen, bij de leraren, spelen. Zeker als we leraren ook in staat stellen om zelf onderzoek te doen – naast het lesgeven. Dat maakt het vak van leraar nog leuker en maakt het carrièreperspectief aantrekkelijker.”

 

Tot slot: Op uw cv valt een jaar Toneelacademie nogal op. Hoe zit dat?

“Haha, dat is een goed voorbeeld van hoe het kan lopen als je op je 17e, 18e moet kiezen voor een opleiding. In het eerste studiejaar krijg je beter zicht op jezelf als persoon en op je talenten. Dan kun je uiteindelijk heel ergens anders terecht komen, in mijn geval bij politicologie. Toch heb ik geen spijt van dat jaar, het is voor mijn persoonlijke ontwikkeling van ontzettend veel betekenis geweest.

Dat sluit aan bij waar we het eerder al over hadden, dat onderwijs zoveel meer is dan lezen, rekenen, timmeren en acteren. Onderwijs is persoonlijke ontwikkeling. Daar moeten wij ons als overheid, als mensen die de regels maken, echt van bewust zijn. Zodat wij onderwijs, scholen en leraren de ruimte kunnen laten om daarop in te spelen met de groep kinderen of jongeren die ze voor zich hebben.”

blog comments powered by Disqus